Dissociatieve Identiteitsstoornis

Een dissociatieve identiteitsstoornis, voorheen bekend als meervoudige persoonlijkheidsstoornis , is een aandoening waarbij twee of meer identiteiten of persoonlijkheden afwisselend de leiding over het gedrag hebben en waarbij amnesie optreedt. Een dissociatieve identiteitsstoornis is een ernstige, chronische en mogelijk invaliderende of dodelijke aandoening. Het onvermogen van sommige persoonlijkheden (alters) om zich belangrijke persoonlijke informatie te herinneren (amnesie) wordt gecombineerd met een gelijktijdig bewustzijn van informatie door de andere persoonlijkheden. Sommige alters lijken elkaar te kennen en op elkaar te reageren in een ingewikkelde innerlijke wereld. Zo kan alter A zich bewust zijn van alter B en weten wat B doet, alsof hij B’s gedrag observeert. Alter B is zich al dan niet bewust van alter A. Andere alters kunnen zich al dan niet bewust zijn van alter B en andersom. Mensen met deze aandoening doen vaak een poging tot zelfmoord (suïcide). Men neemt aan dat zij eerder tot zelfmoord overgaan, dan mensen met een andere psychische aandoening. De dissociatieve identiteitsstoornis lijkt een psychische aandoening te zijn die nogal vaak voorkomt. Deze stoornis komt voor bij 3 tot 4% van de patiënten die worden opgenomen voor andere psychiatrische problemen en bij een vrij grote minderheid van patiënten in ontwenningsklinieken. Grotere alertheid op de aandoening heeft er toe geleid dat deze de laatste jaren vaker is gediagnosticeerd. Kennis van de gevolgen van kindermishandeling en verbeterde diagnostische methoden hebben eveneens geleid tot meer diagnoses van dissociatieve identiteitsstoornis. Hoewel sommige deskundigen van mening zijn dat de toename van het aantal meldingen van deze aandoening wordt veroorzaakt door de invloed van artsen op suggestibele patiënten, is er geen bewijs voor deze opvatting. Een dissociatieve identiteitsstoornis lijkt te worden veroorzaakt door de wisselwerking van verscheidene factoren:

overweldigende stress, zoals emotionele of lichamelijke mishandeling in de vroege jeugd;
een vermogen om herinneringen, waarnemingen of identiteit los te koppelen van het bewustzijn (dissociatief vermogen);
abnormale ontwikkeling voordat een totaalbeeld van zichzelf en anderen kan worden vastgelegd;
onvoldoende bescherming en verzorging in de jeugd.

Voor de menselijke ontwikkeling is het noodzakelijk, dat kinderen ingewikkelde en verschillende soorten informatie en ervaringen kunnen integreren. Naarmate kinderen leren een samenhangende, complexe identiteit te verwerven, doorlopen ze fasen, waarin verschillende inzichten en emoties gescheiden worden gehouden. Deze verschillende inzichten kunnen ze gebruiken om afzonderlijke persoonlijkheden te ontwikkelen. Niet ieder kind dat wordt mishandeld of dat een ingrijpend verlies of trauma te verwerken krijgt, heeft echter het vermogen meervoudige persoonlijkheden te ontwikkelen.
Degenen die dat wel hebben, beschikken ook over normale manieren van verwerking. Het merendeel van deze kwetsbare kinderen wordt voldoende beschermd en getroost door volwassenen, zodat bij hen geen dissociatieve identiteitsstoornis ontstaat.

Dissociatieve Identiteitsstoornis en kindermishandeling: een verband

Het merendeel (97 tot 98%) van de volwassenen met een dissociatieve identiteitsstoornis geeft aan tijdens hun kindertijd te zijn mishandeld. Bij 85% van de volwassenen en 95% van de kinderen en adolescenten met een dissociatieve identiteitsstoornis kan mishandeling worden aangetoond.
Hoewel kindermishandeling een belangrijke oorzaak is van een dissociatieve identiteitsstoornis, wil dat niet zeggen dat alle specifieke meldingen van mishandeling ook werkelijk hebben plaats gevonden. Sommige aspecten van een aantal beschreven ervaringen zijn duidelijk niet betrouwbaar. Sommige patiënten waren niet mishandeld maar hadden wel een groot verlies op jonge leeftijd, zoals de dood van een ouder, een ernstige somatische aandoening of een andere bijzonder stressvolle ervaring meegemaakt. Patiënten met een dissociatieve identiteitsstoornis ervaren vaak een hele reeks symptomen. Deze kunnen lijken op die van andere psychiatrische aandoeningen, zoals angststoornissen, persoonlijkheidsstoornissen, schizofrene stoornissen en stemmingsstoornissen, maar ook op epileptische aanvallen. De meeste mensen met een dissociatieve identiteitsstoornis vertonen symptomen van depressie, angst (ademhalingsmoeilijkheden, snelle hartslag, hartkloppingen), fobieën, paniekaanvallen, seksuele dysfunctie, eetstoornissen, posttraumatische stressstoornis en symptomen, die lijken op die van somatische aandoeningen. Zelfmoord kan hen hevig bezighouden en pogingen daartoe komen vaak voor, evenals episoden van zelfverminking. Veel mensen met een dissociatieve identiteitsstoornis raken op enig moment in hun leven verslaafd aan drugs of alcohol. De afwisseling van de alters en het zich niet bewust zijn van dit gedrag in de andere alters maakt iemands leven vaak chaotisch. Doordat de alters vaak op elkaar reageren, wordt vaak melding gemaakt van de stemmen van de andere alters en van innerlijke gesprekken. Dit is een vorm van hallucinatie.
Verscheidene kenmerken zijn kenmerkend voor een dissociatieve identiteitsstoornis:

verschillende symptomen die zich in verschillende perioden voordoen;
een wisselend vermogen om te functioneren, variërend van zich goed redden op het werk of thuis, tot invalide worden;
zware hoofdpijn of andere lichamelijke pijn;
vervorming van tijdsbesef, hiaten in de tijdsbeleving en amnesie;
depersonalisatie en derealisatie: het gevoel dat men van zichzelf is gescheiden en dat de omgeving onwerkelijk overkomt.

Patiënten met een dissociatieve identiteitsstoornis horen vaak van anderen over de dingen, die ze hebben gedaan, maar herinneren zich daar zelf niets van. Anderen kunnen ook veranderingen in iemands gedrag opmerken, die ze zichzelf niet herinneren. Patiënten kunnen voorwerpen, produkten of handschriften ontdekken, die ze niet kunnen verklaren of niet herkennen. Vaak verwijzen ze naar zichzelf als naar ‘wij’, ‘hij’ of ‘zij’. Terwijl de meeste mensen zich niet veel herinneren van de eerste drie tot vijf jaar van hun leven, kunnen mensen met dissociatieve identiteitsstoornis zich daarbij niet veel herinneren van gebeurtenissen tussen de zes en elf jaar.
Bij een kenmerkend verloop hebben mensen met een dissociatieve identiteitsstoornis vaak een voorgeschiedenis van drie of meer verschillende psychiatrische diagnoses, waarbij ze niet reageerden op behandeling. Ze houden zich erg bezig met zaken op het gebied van zelfbeheersing en op het gebied van kontrole over anderen.

Om een dissociatieve identiteitsstoornis te diagnosticeren, voert een arts een grondig medisch en psychiatrisch onderzoek uit, waarbij hij in het bijzonder informeert naar dissociatieve ervaringen. Er zijn gesprekstechnieken ontwikkeld om artsen te helpen de aandoening vast te stellen. Een arts kan ook gedurende langere tijd gesprekken voeren met een patiënt en hem vragen in de perioden tussen de gesprekken een dagboek bij te houden. Met behulp van hypnose of door het toedienen van bepaalde geneesmiddelen kan hij gesprekken voeren om de alters te bereiken. Door deze maatregelen neemt de kans toe dat de patiënt tijdens de beoordeling van de ene op de andere alter overschakelt. Artsen halen steeds meer verschillende alters naar boven door te vragen of ze met dat deel van de geest kunnen spreken, dat betrokken was bij een bepaald gedrag. Het kan hierbij gaan om gedrag dat de patiënt zich niet meer herinnert of dat hij eerder heeft ervaren als een soort toeschouwer dan dat hij het werkelijk heeft beleefd (alsof de ervaring onwezenlijk of onwerkelijk was).
Een dissociatieve identiteitsstoornis vereist psychotherapie, gewoonlijk vergemakkelijkt met behulp van hypnose. Symptomen kunnen spontaan opkomen en verdwijnen, maar de aandoening gaat niet vanzelf over. Medicatie kan een aantal specifieke symptomen verlichten maar kan de aandoening zelf niet verhelpen. Behandeling is vaak zwaar en emotioneel pijnlijk. De persoon kan vele emotionele crises beleven door de handelingen van de alters en door de wanhoop die kan ontstaan doordat traumatische herinneringen bovenkomen tijdens de therapie.

Vaak zijn verscheidene psychiatrische opnamen nodig om iemand door moeilijke perioden heen te helpen en om bijzonder pijnlijke herinneringen te verwerken. De arts gebruikt vaak hypnose om de alters naar boven te halen of toegang tot hen te krijgen, communicatie tussen hen te bevorderen, hen te stabiliseren en te integreren.

Hypnose wordt ook toegepast om pijnlijke invloed van traumatische herinneringen te verminderen. Gewoonlijk zijn twee of meer psycho-therapiesessies per week nodig gedurende minimaal drie tot zes jaar. De sessies hebben als doel de alters tot een enkele persoonlijkheid te integreren of om een harmonieuze interactie tussen de alters te bewerkstellingen, zodat iemand zonder symptomen kan functioneren.

In de ideale situatie vindt integratie van alters plaats, maar dit is niet voor iedereen met deze aandoening mogelijk. Bezoeken aan de therapeut worden geleidelijk aan verminderd, maar zelden beëindigd. Patiënten gaan vaak rekenen op hun therapeut voor hulp bij psychische zaken, net zoals ze van tijd tot tijd rekenen op hulp van hun huisarts. De prognose voor mensen met een dissociatieve identiteitsstoornis hangt af van de symptomen en kenmerken. Sommigen vertonen vooral dissociatieve symptomen en posttraumatische kenmerken. Dat wil zeggen dat ze, naast hun problemen met identiteit en geheugen, angstig zijn met betrekking tot traumatische ervaringen en de herbeleving ervan en de herinnering eraan. Ze functioneren over het algemeen goed en herstellen bij behandeling volledig. Anderen hebben ernstige bijkomende psychiatrische aandoeningen als persoonlijkheidsstoornissen, stemmingsstoornissen, eetstoornissen en alcohol- of drugsverslaving.
Hun problemen verminderen langzamer en behandeling kan óf minder succesvol zijn óf langer duren en meer worden gekenmerkt door crises. Tenslotte vertonen sommige niet alleen andere ernstige psychische problemen maar blijven ook nauw betrokken bij degenen die hen zouden hebben mishandeld. Behandeling is vaak langdurig en ongeordend en is meer gericht op de vermindering en verlichting van symptomen dan op het bereiken van integratie. Soms gaat zelfs een patiënt met een ongunstige prognose met therapie voldoende vooruit om zich door de stoornis heen te werken en grote vorderingen te maken op weg naar herstel.